Homepage HVW Collectie Publicaties HVW Zoekresultaat

Zoekresultaat:    Commissie van Ministerie van Verkeer en Waterstaat   (in veld: Auteur(s))     

Aantal gevonden publicaties : 1   (uit: 217)


Uitgebreid zoeken

Klik op publicatie voor vergroting en meer informatie

1. Boeknummer: 0239  
Rapport van de Waddenzeecommissie
Onderzoeksrapport           (22 september 1970)    [Commissie van Ministerie van Verkeer en Waterstaat ;Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening]
SAMENVATTING
Reeds eeuwenlang verdedigt Nederland zich tegen de zee. De ligging beneden de zeespiegel van grote delen van het land maakt dit noodzakelijk. Behalve veiligheid is ook het vergroten van de hoeveelheid landbouwgebied een belangrijke doelstelling geweest bij het tot stand brengen van dijken, sluizen en inpolderingen. Het meest bekend is wel de aanleg van de 32 km lange, in 1932 gereedgekomen afsluitdijk tussen de provincie Noord-Holland en de provincie Friesland en daarna van de verschillende polders achter deze dijk. Naar aanleiding van de rampzalige stormvloed in 1953 is besloten de grote zeegaten in het zuidwesten van Nederland af te sluiten. Bet is begrijpelijk dat voor het verkrijgen van een grotere veiligheid en meer land ook plannen zijn gemaakt voor het indijken van de Waddenzee. De Waddenzee is een kustzee tussen de Nederlandse Waddeneilanden en het vasteland van drie provincies in het noorden van Nederland, namelijk Noord-Holland, Friesland en Groningen. Het bijzondere van deze kustzee is dat bij gemiddeld laagwater de helft van de bodem droogvalt. Sinds het midden van de vorige eeuw zijn plannen gemaakt voor het indijken van die Waddenzee, aanvankelijk in samenhang met inpolderingen in de Zuiderzee, later, na 1932, ook voor de Waddenzee afzonderlijk. Behalve plannen, die een indijking van vrijwel de gehele Waddenzee beoogden, ter grootte van 2400 km , zijn er ook plannen die slechts gericht waren op drooglegging van gedeelten van de Waddenzee. Na de aanneming van de Deltawet in 1958 nam de belangstelling voor inpolderingen in de Waddenzee toe. Ook in andere opzichten nam de belangstelling voor de Waddenzee sterk toe, onder andere in verband met de winning van delfstoffen (olie en aardgas), het recreatieve gebruik (varen, vissen en wadlopen) , de ontwikkeling van haven- en industrievestiging (Eemsha- ven. Den Helder), de natuurstudie en het natuurbehoud. De bemoeienissen van provincies en gemeenten met het gebied namen toe en op het niveau van de Rijksoverheid kregen steeds meer ministeries met de Waddenzee te maken. In de loop van de tijd zijn steeds meer belangen bij de af- weging van de plannen betrokken geworden. In het algemeen kan gesteld worden, dat de sterk toegenomen belangstelling voor de Waddenzee in verschillend opzicht, zich ook in de diverse plannen heeft weerspiegeld, evenals in de bezwaren, die daar tegen werden aangevoerd.Het groeiende inzicht, dat de Waddenzeeproblematiek in zijn totaliteit niet door partiŰle beleidsbeslissingen op korte termijn kan worden opgelost, leidde er toe, dat de Regering besloot, dat de Minister van Verkeer en Waterstaat met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening een breed samengestelde commissie zouden instellen voor een diepgaand en geco÷rdineerd onderzoek naar alle aspecten, verbonden aan een eventuele gehele of gedeeltelijke indijking van de Waddenzee (1.1.). De commissie werd op 4 maart 1970 ge´nstalleerd en bestond uit een hoofdcommissie van 22 leden en 4 werkgroepen. In de hoofdcommissie hadden in hoofdzaak vertegenwoordigers zitting van be- leidvoerende organen, namelijk 13 hoge ambtenaren van een negental ministeries en 3 vertegenwoordigers van de aan de Waddenzee grenzende provincies. Voorts werden 6 leden op grond van hun speciale deskundigheid benoemd.

(ZCBS: 1413)
 

Laatste wijziging binnen getoonde publicaties: 11 september 2014